Index head
index lomboxsitemapgeschiedenis van de wijkvraag en aanbodintegratie in Lombokkunst in Lombokcinebox | films supersnel internet in Lombokwelzijn in Lombokwerken in Lombokwonen in lombokcineboxsitemapgeschiedenisvraag en aanbodcultuurwelzijn in LombokondernemersKunstboXwonen in LombokSUPERSNEL INTERNET IN LOMBOK

































Contact |Archief | Links l Kunstlinks | CineboX | West | Home U bevindt zich op een archiefpagina

Zitvoetbal in de achterkamer van de Peekies als alternatief

De buurmannen, dat waren in de jaren vijftig vreselijke en genadeloze mensen. De Peekies  weten er alles van. Hoeveel voetballen zijn ze niet kwijtgeraakt aan de Postpik, de buurman die om de hoek in de Ternatestraat woonde? Als die een bal in zijn handen kreeg, dan kon de eigenaar ernaar fluiten.

De Peekies, dat was de familie Peek, die woonde in een bovenwoning in de Bandoengstraat in Lombok. Eén van hen was Wim Peek ( 57). Hij vertelt: ,, De Postpik? Die woonde net om de hoek. We hadden bij hem een doel op de blinde muur van z’n huis getekend en daar schoten we de bal op. Hij werd helemaal gek van het gevoetbal tegen z’n muur.’’ Aan de andere kant van de straat was ook een doel. Dat was gekrijt op de muur van het huis van de familie Berger, waar vader tijdens het voetballen de schilderijtjes van de wand haalde. De Postpik, zo genoemd, omdat hij bij de posterijen werkte, kwam vaak naar buiten gerend. Hij dook tussen soms tien tot twintig voetballende kinderen om de bal te bemachtigen. Tientallen ballen confisceerde hij op die manier.
Eén keer kwam de Postpik huilend naar buiten. Of ze op wilden houden, smeekte hij. ,, Stoppen met voetballen? We leefden voor het voetballen. Als we thuis hadden gegeten, renden we naar buiten, naar de Ternatestraat. Die Postpik kon het wel vergeten. En als hij de bal had afgepakt, gingen we bij hem klieren.
Door de brievenbus roepen: hé Postpiiiiik, we willen onze bal terug!. Of we kieperden allerlei rotzooi in zijn tuin. Daar was hij niet blij mee.’’
De voetballers beschouwden bal pikkende buurmannen als boze duivels. Die kregen een speciale ’wraakbehandeling’. Ook buurman Ras, de boeman van het portiek op de hoek. Hij leek met z’n kalende kop het meest op historicus Lou de Jong, maar dan zonder bril. In het portiek stond hij vaak voor de deur op wacht met z’n handen streng op de rug, loerend naar te verpesten kindervreugd. Die Ras kon het niet verdragen dat er in de straat gevoetbald werd en een kind in zijn portiek werd steevast verjaagd. Het gevolg was bitterzoete kinderwraak. Als hij in huis was, zongen ze keihard in het portiek  Van je ras, ras, ras, gaat de koning door de plas... Of de klink van de voordeur werd met een touw aan een andere voordeur gebonden, waarna er aangebeld werd. Of er werd een lucifer gestoken tussen het knopje van de elektrische deurbel, zodat het bellen niet meer stopte. Van die geintjes. Nog een slachtoffer van kattenkwaad was de communist in de straat. Hij woonde boven melkboer Bijleveld. In verkiezingstijd hing er altijd een affiche van de Communistische Partij Nederland voor zijn raam. Het was de enige in een straat vol PvdA- en KVP- affiches.
Als het gesneeuwd had, was het traditie de woning van de communist te bekogelen met sneeuwballen. Een kapot raam hoorde vaak bij de schade. De communist pesten ’ moest gewoon’. ,, Je hoorde je ouders over communisten praten, over wat er in Rusland was gebeurd. Ze waren bang voor die mensen, omdat ze misschien ons land zouden kunnen overnemen. We voelden onbewust dat het gerechtvaardigd was hem te pesten. Dat gold ook voor buurman Ras. Die was ook ongeliefd bij de volwassenen. Zijn hoed afnemen om te groeten, deed hij nooit. Een zeurkous werd hij genoemd. Als hij aan de deur kwam bij vader om over ons te klagen, werd hij weggestuurd. En als hij niet snel genoeg wegging, dreigde mijn vader hem een oplawaai te geven. Zal ik je uit je sokophouders slaan? zei hij een keer.’’ Gelukkig voor Postpik, Ras en de communist gingen de kinderen ook wel eens de straat uit. Voetballen aan de andere kant van de Vleutenseweg op het Schimmelplein. Een partijtje, een  mètsjie, spelen: Utrecht- West tegen Nieuw- Engeland. Wedstrijdjes met twintig tegen twintig kinderen waren niet ongewoon. Keiharde wedstrijden, waarbij de Peekies nogal eens gewond raakten. Een buil op het hoofd of een geschaafde arm was een normale blessure. Soms was het erger. Een gat in je hoofd moest worden gerepareerd in het ziekenhuis. Vader Henk Peek leende in geval van nood een bakfiets van de groenteboer, legde het slachtoffer erop en reed ermee naar het Stads- en Academisch Ziekenhuis.

Nooit stonden de Peekies achteraan, als voor een partijtje gepoot werd om een elftal samen te stellen. Ze konden goed voetballen en werden als één van de eersten gekozen. Wim was middenvelder naar zijn eerste grote voorbeeld: Reinier (Beertje) Kreijermaat van Elinkwijk, die later bij Feyenoord speelde. Beertje, een stevige vent met een krullenkop, zo wilde Wim ook zijn. Alleen regen, écht harde regen kon het voetbalgeweld in de buurt afgelasten. Maar geen nood, dan was er een goede vervanging: zitvoetbal in de achterkamer van de Peekies. De tafel, stoelen en kast aan de kant, iedereen ging zitten op het zeil en het was lukraak schieten met een van sokken in elkaar gepropte bal. Vader Peek deed mee en was één van de fanatieksten. Stond benedenbuurman Vermeend naar boven te roepen dat bij hem de lamp van het plafond dreigde te vallen, ging vader ’ nog even’ door. Kwamen ze tot rust, de Peekies, dan was er het voetbalspel dat Wim had uitgedokterd. Aan tafel met twee vazen. In de ene papiertjes met namen van bekende voetbalploegen en in de andere papiertjes met talloze uitslagen van 0- 0 tot 6- 1 en zo. Het spel was namen uit de vaas te halen en er een uitslag bij te trekken. Het resultaat werd genoteerd en zo werd aan tafel een hele competitie gespeeld. Toen de Peekies wekenlang met geelzucht thuis moesten blijven, zijn er tientallen competities gespeeld.
Van alle spelletjes werden lijstjes bijgehouden. Knikkeren door poortjes in een verknipte schoenendoos. De punten werden genoteerd. Knikkeren op een schuin geplaatst houten bord. De punten werden genoteerd.
,,Alles hielden we bij. We gingen zelfs zover dat we uit de lijstjes naast dagwinnaars weekwinnaars aanwezen.’’ Eén keer in de week werd er niet  gespeeld. Op zaterdagavond was het tijd voor een grote wasbeurt. Vader droeg de grote, ijzeren wasteil de huiskamer in en zette die voor de kachel. Heet water in de teil en één voor één werden de Peekies door moeder Alie gewassen. Eerst de oudste en daarna aflopend op leeftijd.
Na het derde kind werd het water ververst voor de laatste drie ( en later vier). Wim was het derde kind. ,,Ik zat in het sop van mijn broers. Het hoorde zo. Als derde kind kreeg ik alles derdehands. Altijd droeg ik de kleren die mijn broers hadden gedragen. Er ging een knie- of elleboogstuk op en als nieuw was het. En mijn fiets was derdehands. Mijn vader, die net als opa Peek in die tijd fietsenmaker was, knapte een gebruikte kinderfiets op: nieuw kleurtje, blokken op de pedalen, als je er niet bij kon met je voeten en zie: dat was je verjaardagscadeau.’’
De ouders van Wim verschoonden zich, achter de gesloten deur, in de keuken. Soms waren ze daar samen. De kinderen hoorden dan gegiechel. Ze konden slechts raden naar wat zich daar voordeed. En dan dat zondagmorgenritueel. De jonge Peekies kregen ieder twee kwartjes, heel veel geld, om naar de bioscoop te gaan. De Filmac op het Vredenburg. Pa en moe bleven thuis achter. Het opklapbed in de huiskamer, wat ook hun slaapkamer was, ging weer naar beneden. ,,Later, toen we volwassenen waren, maakten we er dolletjes over en vaders reactie was: wat moest ik dan, jongens? Het was de enige manier een keer alleen te kunnen zijn met je moeder.’’

Meer weten over de historie? Lees verder
Benieuwd naar straatnamen? Lees verder

Utrechts Nieuwsblad StadsJeugd | 9-06-2005